De bril van een blindgeboren bedelaar

Je zult wel denken; kan een blindgeborene iets zien? Hoe kun je nu door de bril van een blindgeborene kijken? Neem maar van mij aan; blinden zien hele andere dingen dan mensen die kunnen zien. Veel mensen hebben snel een oordeel over blinden. Zo ook op de dag die mijn leven totaal veranderde.

Zoals elke dag, zat ik op mijn vaste plek te bedelen in Jeruzalem. Ik hoorde een groepje mensen naderen die mij blijkbaar zagen zitten. Een van hen vroeg aan de ander: “Rabbi, waarom is hij blind? Wie heeft er gezondigd; hij of zijn ouders”?

Dachten ze misschien dat ik nog doof was ook?
Zoiets zeg je toch niet waar iemand bij zit?
Zo keken veel zienden dus naar blinden!

De rabbijn zei: “Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet. Maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden”. Hij kwam heel dicht bij mij staan en spuwde op de grond. Ik hield mijn adem in en dacht: “wat zullen we nu krijgen”? Hij maakte modder van het speeksel en smeerde het op mijn ogen. Ik liet de man van verbaasdheid zijn gang gaan.

Hij zei: “Ga naar het badhuis Siloam en was je daar”. Iemand bracht me naar het badhuis. Daar waste ik de modder van mijn ogen. Ik opende mijn ogen, schrok van het licht en kneep ze weer dicht.

Ik kon zien!
Ik kon mijn ogen niet geloven!
Wat was dat voor rabbijn die mij genezen had?

Ik ging terug naar de plaats waar ik gezeten had, maar ze waren weg. Van omstanders hoorde ik dat ik genezen was door ene Jezus. Wat baalde ik dat hij weg was; ik wilde hem leren kennen en bedanken!

Omstanders namen me mee naar de religieuze leiders – de Farizeeën – in Jeruzalem. Ik vertelde ze heel enthousiast wat me overkomen was. Maar die Farizeeën reageerden helemaal niet enthousiast. Ze begonnen met elkaar te bakkeleien of die Jezus namens God kwam.

‘Dat kan niet’ riepen sommigen ‘want hij geneest iemand op de wekelijkse rustdag’. Dan moet iedereen rust houden. Ze dachten dat God zoiets nooit op de rustdag zou doen. Andere Farizeeën riepen: “hoe kan een mens nu zulke wonderen doen”? Opnieuw moest ik een religieuze discussie aanhoren.

Was mijn genezing nu het werk van God of niet?

Na heftige discussies vroegen ze mij: “Wat denk jij van die man”? Ik wist niet wie hij was, maar dacht sterk aan een profeet: “het moet wel iemand zijn die namens God komt en spreekt”.

Sommige Farizeeën geloofden niet wat er met mij gebeurd was. Mijn ouders werden opgetrommeld en moesten getuigen. Ze erkenden dat ik inderdaad hun blindgeboren zoon was. Ze vroegen mijn ouders hoe het kon dat ik weer kon zien. Ze zeiden: “Vraag het maar aan hem zelf, hij is oud genoeg”.

Nu suggereerden de Farizeeën: “Wie op de rustdag geneest, is toch een zondaar”? Ik antwoordde: “Ik weet niet of hij een zondaar is. Maar één ding weet ik wel: ik was blind en nu kan ik zien”. De Farizeeën wisten niet goed wat ze met mij en die Jezus aan moesten.

Geïrriteerd vroegen ze aan me wat die Jezus gedaan had. Nu werd ik ook geïrriteerd: “Dat heb ik toch al verteld? Willen jullie soms leerling van hem worden”? Die opmerking viel helemaal verkeerd. Ze vielen tegen me uit: “Jij bent zeker zelf een leerling van hem! Wij zijn leerlingen van Mozes. Die sprak wel namens God”.

Hoe konden die Farizeeën toch zo stekelblind zijn!
Ik zei: “Waarom ziet u niet dat dit Gods werk is?
Anders zou hij mij toch niet kunnen genezen”?

Toen barstte de bom: “Wie denk je wel niet dat je bent? Jij bent een blindgeboren zondaar en je wilt ons de les lezen”? Woedend stuurden ze mij weg; ik mocht niet meer in hun synagoge komen. In plaats van blij te zijn over mijn genezing werden ze boos. Ik liet de pret niet bederven door die zuurpruimen. Voor mij was dit de dag van mijn leven.

Jezus hoorde al snel dat ik niet meer in de synagoge mocht komen. Hij zocht mij op en vroeg mij: “Geloof je in de Zoon van God”? Ik vroeg hem: “Wie is dat; de Zoon van God”? Toen hij zei dat hij zelf de Zoon van God was, aanbad ik Hem. Jezus zei:

“Ik ben voor het oordeel naar deze wereld gekomen,
zodat wie niet zien, zullen zien
en wie zien, blind zullen worden”.

Sommige Farizeeën die erbij stonden, riepen: “beweert u dat wij blind zijn”? Nu gingen de Farizeeën met Jezus zelf in discussie. Ik snapte er niet zo veel van, maar de Farizeeën werden steeds bozer. Sommigen beweerden zelfs dat Jezus gek was of bezeten.

Jezus stelde heel duidelijk dat hij goddelijk was. Hij zei: “De Vader en ik zijn één”. Toen hij dat gezegd had, liep het helemaal uit de hand. De Farizeeën riepen: “Wat een godslastering! U bent een mens, maar beweert dat u God bent”! Ze wilden Jezus grijpen om hem te stenigen, maar Jezus ontsnapte.

Opnieuw bleef ik alleen achter. Toch was ik blij; zielsblij. Ik was blind, maar nu kan ik zien[1]!

Mijn ogen werden geopend en ik zag de Zoon van God.
De Farizeeën sloten hun ogen en noemden hem een gek.

Ik ruim die bril van de blindgeborene wel op. Ondertussen heb ik deze bril gepakt; de bril van een weduwe. Deze weduwe woonde met haar zoon in de stad Naïn in Israël.

[1] Johannes 9 en 10.