De bril van een fantieke christenvervolger

Ik ben ongeveer in dezelfde tijd geboren als Jezus; uit Joodse ouders. Mijn wieg stond in Tarsus; de hoofdstad van Cilicië in het zuiden van Turkije. Mijn familie behoorde tot de Farizeeën; de strengste stroming binnen het Jodendom[1]. Farizeeën onderwijzen andere Joden in religieuze wetten en tradities.

Ik kon heel goed leren en mocht in Israël gaan studeren bij Gamaliël; een geleerde en alom gerespecteerde Farizeeër[2]. Zo werd ik een geleerde in de Joodse religieuze wetten en tradities. Ik leerde andere Joden hoe zij zich aan die wetten en tradities moesten houden. Ik hield mij zelf ook nauwgezet aan al die wetten en tradities. Ik was daar zo stipt in dat niemand mij op fouten kon betrappen[3].

Ik gaf een tiende van mijn inkomen weg aan de tempel. Ik vastte regelmatig en bad meerdere keren per dag. Ik hield absolute rust op de sabbat; de Joodse rustdag.

God moest wel heel tevreden over mij zijn[4].

Ik ergerde mij aan hoeren en tollenaars die alle wetten en tradities negeerden. Ik genoot veel respect bij Joden die daar wel naar luisterden. Ik was een bevlogen verdediger van onze wetten en tradities. In mijn tijd was het hard nodig om die wetten en tradities te verdedigen. Allerlei ongeletterde figuren opperden de wildste revolutionaire ideeën.

Ene Johannes de doper deed zich voor als een profeet. Hij vond dat iedereen zondig was en zich moest laten dopen. Zijn doop – door onderdompeling in de rivier de Jordaan – zou zonden afwassen. Hij wist waarschijnlijk niet dat je offers moet brengen om vergeving te krijgen.

Johannes vond dat ik ook gedoopt moest worden.
Terwijl ik alle Joodse wetten naleefde.
Nonsens toch?

Hij noemde zich een aankondiger van Jezus van Nazareth. Die trok nog meer aanhang. Die Jezus deed alsof hij een rabbijn was, maar had nooit een opleiding gehad. Hij had voor timmerman geleerd bij zijn vader die ook timmerman was. Hij verzamelde twaalf eenvoudige leerlingen die van geen toeten of blazen wisten.

Jezus en zijn leerlingen namen het niet zo nauw met allerlei voorschriften. Ze gingen gewoon bij hoeren en tollenaars op bezoek om met hen te eten. Jezus dronk gewoon wijn en zijn leerlingen zag je nooit vasten. Ze plukten aren op de rustdag en aten ze op zonder hun handen te wassen.

Met zijn vlotte babbel wist die Jezus heel wat aanhangers te krijgen. Hij noemde zich zelfs de zoon van God, terwijl iedereen zijn ouders kende. Hij vergaf zelfs zonden; alsof hij God zelf was. De meeste Farizeeën hadden direct door dat die Jezus een valse profeet was; een verleider[5].

Toch kreeg hij heel veel aanhangers, omdat hij mensen kon genezen. Maar zelfs het genezen van mensen deed hij op de rustdag. Wij hadden wel door dat duistere machten hem hielpen[6].

Ook Jezus beschuldigde ons van allerlei zonden[7].
Hij spoorde Farizeeën ook aan tot de doop.
Maar wij deden nooit iets fout[8].

Onder de Joden bracht Jezus grote verdeeldheid teweeg. Wij Farizeeën waren bang dat de Romeinse overheersers zouden ingrijpen. Door die politieke onrust, riskeerden we vernietiging van onze tempel en ons volk. Daarom hebben we die Jezus van Nazareth laten kruisigen door de Romeinen[9].

De dood van Jezus bevestigde dat hij niet Gods zoon was, maar een bedrieger. We dachten dat de rust weer terug zou keren, maar dat was niet het geval. Na een paar dagen kwamen zijn leerlingen met het verhaal dat Jezus weer leefde. Omdat Jezus ooit zoiets voorspeld had, hadden we het graf al laten bewaken. Twee Romeinse soldaten hielden de wacht, maar die waren in slaap gevallen. Ik heb gehoord dat de leerlingen van Jezus zijn lijk gestolen en verstopt hebben[10].

Wat weken later – tijdens het joodse Pinksterfeest – stak de onrust weer de kop op. De leerlingen van Jezus preekten publiekelijk:

Jezus is opgestaan uit de dood.
Jezus bewijst dat er leven mogelijk is na de dood.

Zijn leerlingen zouden Jezus allemaal gezien hebben, maar hij was weer opgestegen naar de hemel. Ooit zou Jezus weer terugkomen om alle mensen te oordelen. Dan zou hij eeuwig leven schenken aan wie daarvoor in aanmerking komt.

Ze vertelden dat Jezus zich bewust had laten kruisigen als een offer voor God. Hij zou de straf gedragen hebben die mensen door hun zonden verdienen. Hij nam de rol van zondebok op zich, zodat wij mensen vrijuit gaan. De leerlingen van Jezus riepen alle mensen op:

Kom tot inkeer en stop met zondigen.
Vraag God om vergeving van al je fouten.
Laat je zonden afwassen door de doop.

De leerlingen van Jezus riepen iedereen op om God lief te hebben en alle medemensen, zoals Jezus verteld had.

Wij Farizeeën lieten ons natuurlijk niet dopen, want wij leefden alle Joodse wetten na. Dat verhaal over de kruisiging en opstanding was natuurlijk een fabeltje. Het was een complot van eenvoudige vissers waar je zo doorheen prikt.

Toch kregen de leerlingen van Jezus op die ene dag al drieduizend volgelingen. Al die mensen trapten erin, lieten zich dopen en sloten zich bij de leerlingen aan. Ze vormden in Jeruzalem een gemeenschap die groeide als onkruid. Ze probeerden zieltjes te winnen door omkoperij.

Die Jezusmensen regelden gratis zorg en voedsel.
Ze zorgden voor armen, zieken, weduwen en wezen.
Iedereen die hulp nodig had, kon bij hen terecht[11].

Tot overmaat van ramp deden sommige leerlingen van Jezus nog wonderen ook. Ze genazen zieken op wonderlijke wijze uit naam van Jezus; waar iedereen bij stond. Wij Farizeeën verloren veel leerlingen aan die simpele zielen[12]. Als we niets gedaan hadden zou iedereen die Jezusmensen gevolgd zijn.

Wij Schriftgeleerden gooiden onze kennis in de strijd tegen die eenvoudige lui. We raakten bijvoorbeeld in discussie met Stephanus; een van hun leiders. Hij luisterde amper en beschuldigde ons van de moord op Jezus. Hij maakte ons zo woedend dat we hem de stad uit sleurden om hem te stenigen. Ik bewaakte de jassen van de mensen die Stephanus stenigden[13].

De jacht op christenen begon.

Zelf spoorde ik christenen op en liet hen in de gevangenis opsluiten[14]. Veel aanhangers van Jezus werden bang voor vervolging en verlieten Jeruzalem. Maar het gevolg was dat ze in andere plaatsen ook gemeenschappen stichtten. Het onkruid van die Jezusmensen begon nu overal de kop op te steken.

Om de vrede en het onderwijs in onze wetten te herstellen, wilde ik dat onkruid uitroeien[15]. Ik vroeg de hogepriester – onze hoogste geestelijke leider – om hulp. Ik kreeg een opsporingsbevel om christenen in Damascus gevangen te zetten. Ik ging op reis met een gezelschap dat mij moest helpen.

Maar net voor Damascus werd ik ineens omstraald door een licht uit de hemel. Ik viel op de grond van schrik en hoorde een luide stem: “Saul, Saul, waarom vervolg je mij”. Ik vroeg: “Wie bent u”? De stem zei:

“Ik ben Jezus, die jij vervolgt.
Ga naar de stad Damascus.
Daar hoor je wat je moet doen”[16].

Ik stond weer op en schrok opnieuw, want ik kon niets meer zien. Ineens was ik stekelblind. Mijn reisgenoten – die net zo geschrokken waren als ik – brachten me naar Damascus.

Nu ontdekte ik pas dat ik al die tijd ziende blind was geweest. Nu besefte ik pas hoe blind ik was en waar ik mee bezig was. Nu zag ik pas hoe fout ik was, terwijl ik mezelf altijd zo goed vond. Ik had God juist tegengewerkt en zijn dienaren vervolgd. Ik had een grote schuld op me geladen.

Drie dagen lang heb ik gevast en nagedacht. Toen pas drong alles door. Het fabeltje over de kruisiging, opstanding en hemelvaart van Jezus was dus toch waar!

Al die tijd keek ik door de verkeerde bril.
Ik dacht dat ik alles zo goed zag en wist.
Toch was ik al die tijd ziende blind.

Na drie dagen kreeg ik bezoek van een volgeling van Jezus uit Damascus: Ananias. Hij had in een visioen vernomen dat hij mij de handen op moest leggen. In dat visioen vertelde Jezus dat ik zijn getuige moest worden. Ananias legde zijn handen op mij. Ik kon weer zien[17].

Het eerste wat ik Ananias toen gevraagd heb, was om mij te dopen. Als geen ander besefte ik hoe fout ik was en dat ik vergeving nodig had voor het vervolgen van al die volgelingen van Jezus.

Ik beleed God al mijn zonden.
Ik liet mij schoonwassen door de doop.

Ik liet mij als wetsleraar onderwijzen door eenvoudige christenen. Ik leerde dat Gods woord niet draait om geboden, maar om de liefde[18]. Nu pas zag ik wat liefde is: hulp, zorg, dienstbaarheid, vriendelijkheid en goedheid.

Ik ontdekte dat het onmogelijk is om God en onze medemensen volmaakt lief te hebben. Ik leerde mijn fouten tegen God te vertellen en vergeving te vragen. Doordat ik mijn tekorten zag, leerde ik nederig te zijn in plaats van hoogmoedig[19]. Ik ontdekte iets heel belangrijks.

Je hoeft niet perfect te zijn om kind van God te zijn.
Wie als kind van God wil leven, ontvangt vergeving.

Zelfs al heb je christenen vervolgd – zoals ik – dan wil God al je zonden vergeven. Hij wil mensen altijd weer een nieuwe kans geven. Ik leerde God mijn vader noemen bij het bidden, zoals Jezus dat geleerd had[20]. Door het onderwijs van die christenen groeide ik in geloof, hoop en liefde.

Door de ontmoeting met Jezus veranderde mijn levenskoers 180 graden. Van een vervolger van de volgelingen van Jezus werd ik zijn getuige[21]. De opstanding van Jezus was geen fabeltje; ik had hem zelf ontmoet. Nu vertelde ik zelf dat onwaarschijnlijke verhaal waar ik mij eerst zo aan ergerde.

Nu vertelde ik zelf waarom Jezus was gekruisigd en opgestaan[22].
Nu riep ik zelf mensen op tot inkeer en liefde en tot de doop.

Mijn omgeving moest wel wennen dat ik 180 graden omgedraaid was. Sommige aanhangers van Jezus waren stomverbaasd; anderen vol wantrouwen. Nu wilden christenvervolgers mij om het leven brengen. Terwijl ik nog in Damascus was, ontsnapte ik al aan een aanslag op mijn leven. Ik keerde terug naar Jeruzalem en sloot mij aan bij de christenen daar. Samen met hen getuigde ik in het openbaar over Jezus en zijn opstanding.

Ik debatteerde met wat Schriftgeleerden, maar mijn verhaal maakte ze witheet. Omdat ze mij wilden vermoorden, moest ik ook vluchten uit Jeruzalem. Net als andere leerlingen van Jezus ging ik verre reizen maken om overal te getuigen wat ik en de leerlingen van Jezus hadden meegemaakt.

Ik ontdekte hoeveel kracht er schuilde in de boodschap die ik zaaide[23]. Waar mensen geloofden, groeide een rijke verscheidenheid aan prachtige vruchten[24].

Het evangelie verandert alles.
Ons denken, onze relaties en onze samenleving.
Het maakt mensen heel gelukkig.

Het evangelie verandert ons denken en onthult ons verleden; dat God ons gemaakt heeft. Het evangelie onthult onze toekomst; eeuwig leven in liefde met God en met elkaar. Het evangelie geeft richting aan ons leven en stimuleert liefde voor God en voor elkaar.

Het evangelie verandert onze relaties doordat het de vrucht van liefde laat groeien. Die vrucht van het evangelie groeit in de vorm van liefde, zelfbeheersing, geduld, vergeving, verzoening, vrede, trouw, recht, vrijgevigheid en behulpzaamheid[25].

Het evangelie verandert samenlevingen op kleine en op grote schaal. Het evangelie stimuleert zorg voor armen, zieken, zwakken en hulpbehoevenden. Overal in Turkije en Griekenland waar ik het evangelie zaaide, gingen mensen voor anderen zorgen; net als in Jeruzalem.

Ik merkte hoe gelukkig mensen werden waar het evangelie vruchten droeg. Niet alleen doordat hun denken, hun relaties en hun samenleving veranderde.

Gods liefde voor ons bleek aan het kruis.
Zijn liefde voor ons vult ons met liefde.
Liefde voor God en liefde voor elkaar[26].

Vroeger zag ik het verhaal over de opstanding van Jezus aan als een kinderlijk fabeltje. Nu is de opstanding het fundament van mijn hoop op een eeuwig leven na de dood[27]. Zoals Jezus opstond en leeft, zullen wij na de dood opstaan in een eeuwig leven.

Toch stuit dit blijde en opbouwende evangelie ook op veel verzet. Veel mensen moeten er niets van hebben, net als ik voor mijn bekering. Die weerstand heb ik op al mijn reizen aan den lijve ondervonden.

Ik ben vaak met de dood bedreigd en ben regelmatig in de gevangenis beland. Vijf keer heb ik stokslagen gehad en drie keer ben ik gegeseld. Ik ben ontsnapt aan een steniging en ben vaak steden uitgegooid.

Ik ben niet bang voor mijn leven.
Als ik mijn levenstaak maar kan voltooien:
getuigen van het blijde nieuws van Gods genade[28].

Nu zit ik in de gevangenis in Rome en moet ik voor keizer Nero verschijnen. Ik betwijfel of ik dat ga overleven, maar niemand kan mijn hoop afnemen[29]. Niets kan mij scheiden van Gods liefde die hij liet zien aan het kruis; zelfs de dood niet[30].

Het gaat God om liefde; niet om regels.
Liefde is de weg naar eeuwig geluk.
Liefde overwint het kwaad.

Zal ik de bril van die fanatieke christenvervolger weer opruimen? Dan wordt het tijd om eens met de inspectie van een aantal van die brillen te beginnen.

[1] Handelingen 23:6, 26:5.

[2] Handelingen 22:3, 5:34.

[3] Filippenzen 3:6, Markus 7:3-4.

[4] Lukas 18:9-14.

[5] Mattheüs 13:55, 4:18-22, 9:9, 9:11, 11:17, 9:14, 12:1-2, 15:1-2, Johannes 10:30-33, 6:42, Mattheüs 9:1-8, Johannes 7:45-49.

[6] Lukas 6:6-11. Mattheüs 9:34, 12:24.

[7] Mattheüs 23:1-36.

[8] Johannes 3:1-7.

[9] Johannes 11:47-53.

[10] Dat is het gerucht wat sommigen verspreidden: Mattheüs 27:56-28:15.

[11] Handelingen 2.

[12] Handelingen 3:1-4:4.

[13] Handelingen 7.

[14] Handelingen 8:3 en 9:1.

[15] Handelingen 8:1-2. Galaten 1:13.

[16] Handelingen 9:1-7.

[17] Handelingen 9:8-19.

[18] Markus 3:1-6. Mattheüs 23:23.

[19] Lukas 16:15.

[20] Romeinen 8:14-16.

[21] Handelingen 9:1-20.

[22] 1 Corinthiërs 15:1-32.

[23] 1 Corinthiërs 1:18-31.

[24] Galaten 5:22-23.

[25] 1 Corinthiërs 13:1-13. Galaten 5:19-26.

[26] Romeinen 8:31-39.

[27] 1 Corinthiërs 1:18-24.

[28] Handelingen 20:24.

[29] 2 Timotheüs 4:6-8. Paulus heeft dit inderdaad niet overleefd. Keizer Nero liet Paulus onthoofden.

[30] Romeinen 8:35-39.