De bril van een gevluchte prins

Ik ben een Jood; een afstammeling van Abraham. Abrahams zoon Isaak kreeg twee zonen: Jakob en Ezau. Jakob bleef met zijn twaalf kinderen in Kanaän wonen.  Tijdens een hongersnood zijn Jakobs kinderen naar Egypte gereisd. In Noordoost Egypte kregen ze een stuk land toegewezen. Op die vruchtbare grond hadden ze eten en drinken in overvloed.

De Israëlieten – de nakomelingen van Abraham – kregen veel kinderen. Veel te veel in de ogen van veel Egyptenaren. De Egyptenaren werden bang dat de Israëlieten de overhand zouden krijgen. De Farao liet hen onder zware dwangarbeid steden bouwen.

Maar het volk bleef maar groeien; tegen de verdrukking in. De Farao beval alle Joodse baby’s in de Nijl te werpen. In die tijd van slavenarbeid en etnische zuivering ben ik geboren.

Mijn ouders konden mij niet verborgen houden.
Ze legden mij in een rieten mandje in de Nijl.
Ze moesten afscheid van mij nemen.

Daar hoorde een Egyptische prinses mij huilen. Ze kreeg medelijden. Ze heeft mij uit het water laten halen en mij opgevoed aan het Egyptische hof. Toch kreeg ik een hekel aan de Egyptenaren toen ik volwassen werd. Ze onderdrukten mijn volk en probeerden hen uit te roeien. Ik voelde me Israëliet en geen Egyptenaar, ondanks mijn opvoeding.

Op een dag ging ik kijken naar de dwangarbeid van mijn volksgenoten. Een Egyptenaar sloeg ze tot bloedens toe met zijn zweep. In een driftbui heb ik die Egyptenaar met één klap doodgeslagen.

Mijn positie aan het Egyptische hof werd natuurlijk onhoudbaar. Ik ben gevlucht naar Midjan aan de andere kant van de Rode Zee. Daar mocht ik bij een priester schapen en geiten hoeden. Met een van zijn dochters – Sippora – ben ik toen getrouwd. We kregen een zoon: Gersom. Dat betekent ‘vreemdeling’. Ik voelde mij namelijk een vreemdeling in een vreemd land. Na lange jaren accepteerde ik dat ik mijn leven in Midjan zou slijten.

Maar op een dag zag ik iets bijzonders toen ik schapen hoedde. Er stond een braamstruik in brand, maar hij verteerde maar niet. Ik liep er naartoe en ineens begon een stem tegen mij te spreken. Hij stelde zich voor als de God van Abraham, Isaak en Jakob en vertelde mij zijn plan.

Ik ga Israël bevrijden uit de slavernij in Egypte.
Jij moet het volk uit Egypte leiden.

Hoe kon God in vredesnaam mij voor zoiets uitkiezen! Ik; een driftkikker, een moordenaar, iemand die nooit uit zijn woorden komt! Ik protesteerde hevig, maar God bleef maar aanhouden. Ik moest mijn broer Aäron maar meenemen als woordvoerder.

Uiteindelijk heb ik ingestemd en ben ik teruggekeerd naar Egypte. Eerst heb ik mijn volksgenoten over Gods plan verteld. Ze waren blij dat God hun gebeden gehoord had. Ze vertrouwden God; net als hun voorvader Abraham.

Met lood in de schoenen gingen Aäron en ik naar de Farao. We vroegen hem om het volk Israël te laten gaan, maar dat viel echt verkeerd. Hij had het volk nodig om steden te bouwen en onze God liet hem ijskoud. Hij liet ons nog harder werken.

Tien keer moesten Aäron en ik de Farao bezoeken om namens God een straf aan te kondigen. Zo kregen de Egyptenaren tien straffen over zich heen. Eerst kleurde het Nijlwater bloedrood, maar dat maakte weinig indruk. Hinderlijke plagen volgden: een kikkerplaag, een luizenplaag en een steekvliegenplaag. De plagen werden steeds ernstiger: veepest, zweren, hagel, sprinkhanen die de oogst vernietigden en duisternis. Maar nog steeds weigerde de Farao naar God te luisteren.

De Farao gaf pas toe nadat de eerstgeborenen van de Egyptenaren stierven, waaronder de kroonprins.

Farao waande zich de machtigste op aarde.
Totdat hij de macht van God ontdekte.
Hij stuurde Israël het land uit.

Toch werd ons vertrouwen al heel snel op de proef gesteld. De Farao bedacht zich en zette de achtervolging in. We zagen hem in de verte aankomen met talloze strijdwagens. Vóór ons was een zee die niet doorwaadbaar was.

Ik moest van God naar de zee lopen en mijn staf omhooghouden. Voor onze ogen week het water en ontstond een droog pad. We konden door het droge pad naar de overkant lopen. De strijdwagens van de Farao zaten ons inmiddels op de hielen. Wij kwamen aan de overkant met alle kinderen en het vee. De strijdwagens van de Farao reden ons achteraan over het droge pad.

Aan de overkant moest ik opnieuw mijn staf omhooghouden. De strijdwagens kwamen vast te zitten door het terugstromende water.

De Farao en zijn soldaten konden ons niets aandoen.
God verdronk onze onderdrukkers voor onze ogen.
Elk jaar vieren we deze feiten weer[1].

Op onze woestijnreis naar Kanaän hebben we veel met God beleefd. Het hoogtepunt is ongetwijfeld dat hij ons tien geboden gaf. Die geboden onthullen wat hij belangrijk vindt; Gods waarden.

De tien geboden vloeien allemaal voort uit de liefde. De eerste geboden maken concreet wat liefde voor God betekent. De rest van de geboden maken concreet wat liefde voor medemensen betekent.

Liefde tot God betekent trouw zijn aan God en geen andere goden aanbidden. Het betekent dat je geen afgodsbeelden maakt en Gods naam niet misbruikt. Het betekent samen de rustdag aan God wijden door te luisteren wat hij zegt en te zingen tot zijn eer.

Naastenliefde betekent eerbied voor je ouders en voor het leven van anderen. Naastenliefde betekent dat je niet steelt en je partner trouw blijft. Naastenliefde betekent eerlijk zijn en niet willen hebben wat anderen hebben.

God bevrijdde ons en wilde een relatie met ons.
Hij leerde ons wat echt belangrijk is.
Liefde voor God en voor elkaar.

Het Bijbelboek Exodus beschrijft de uittocht uit Egypte tot in detail[2].

Zal ik die bril van Mozes weer even terugleggen? Hier heb je een bril van een blindgeborene van ongeveer tweeduizend jaar oud.

[1] https://nl.wikipedia.org/wiki/Pesach.

[2] Het boek Exodus (uittocht) is het tweede boek in de Bijbel.