De bril van een kinderloze nomade

Ik ben geboren in de plaats Ur als kind van rijke ouders. We hadden veel schapen, geiten, runderen, goud en zilver. Mijn ouders hadden heel veel mensen in dienst. We vormden een grote zelfvoorzienende gemeenschap. Sommigen lieten het vee grazen, anderen maakten eten, anderen kleren. We trokken met onze tenten voortdurend rond Ur op zoek naar gras.

In Ur ben ik getrouwd met Sara; een buitengewoon mooie vrouw. Met mijn ouders verhuisden we langs vruchtbare rivieren naar Charan. Daar overleed mijn vader Terach op hoge leeftijd.

De mensen dachten dat Sara en ik dolgelukkig waren. We waren knap, rijk en hadden heel veel personeel. Wat wil je nog meer?

Nou, wij wisten wel wat we nog meer wilden: kinderen.

Als je niet uitkijkt, gaat zo’n onvervuld verlangen je hele leven bepalen. Jaren verstreken. Onze hoop op kinderen vervloog. Totdat God tot ons sprak. Hij zei: “Ga hier weg naar een land dat ik je zal wijzen. Ik zal je tot een groot en belangrijk volk maken”. Wij bleven verbaasd achter.

Wij; zonder kinderen?
Een groot volk?

Dat was na zoveel jaren wachten moeilijk te geloven. Toch vertrouwde ik op wat ons verteld was. We gingen op reis naar het zuiden; naar het land Kanaän. Alles namen we mee; ons personeel, onze bezittingen en ons vee.

In het plaatsje Sichem sprak God opnieuw tot ons. Hij beloofde: “Dit land zal ik aan jouw nakomelingen geven”. Nu werd het heel concreet, ook al hadden we nog geen kinderen. Maar onze hoop werd beproefd door plotselinge droogte. De regen bleef uit; het gras verdorde en steeds meer beesten gingen dood. Gedwongen door de droogte trokken we richting de vruchtbare Nijl.

Nu had ik niet zo veel goeds gehoord over de Farao van Egypte. Ik was bang dat hij mijn vrouw Sara zou opeisen. Maar veel keus hadden we niet, dus we gingen naar Egypte.

In Egypte werd het gerucht dat ik gehoord had waarheid. We kwamen in Egypte officieren van de Farao tegen. Het eerste wat ze aan mij vroegen, was: “bent u haar man?” Als ik ja zou zeggen, hadden ze me waarschijnlijk gedood. Dan konden ze goede sier maken met Sara bij hun Farao. Dus ik vertelde de officieren dat Sara mijn zus was. De officieren wilden Sara inderdaad meenemen. Ze gaven me zowaar nog wel een bruidsschat.

Daar zat ik dan in Egypte, zonder vrouw.

Wat was dat toch voor God die ik vertrouwd had? Hij had toch aan Sara en mij beloofd dat we kinderen zouden krijgen? Nu zat Sara in de harem van zo’n beetje de machtigste man op aarde.

Maar God bleek veel machtiger te zijn dan de Farao van Egypte. Hij trof de Farao en zijn hofhouding met allerlei onheil. De Farao legde direct een link met Sara en ik werd op het matje geroepen.

De Farao werd woedend toen bleek dat ik zijn officieren had voorgelogen. Ik was de schuldige van al het onheil dat hen getroffen had. Maar uit ontzag voor mijn God durfde hij mij niet te straffen. Hij gaf Sara terug en brulde door zijn paleis: “Verdwijn”.
De officieren namen ons mee met alles wat we hadden. Ze begeleidden ons tot aan de grens van Egypte. Toen was ik weer vol vertrouwen in Gods beloften. Ik had gemerkt hoe groot zijn macht was.

Die kinderwens zag ik nu wel goedkomen. We trokken weer terug naar Hebron in Kanaän. De regen had de heuvels ondertussen met groen bedekt. We konden ons leven in Kanaän weer opbouwen.

Nu verscheen God aan mij in een visioen. Ik vroeg hem: “Zal ik kinderloos sterven? Zal Eliëzer, mijn hoofdbediende, alles erven”? Maar God leidde mij naar buiten om naar de sterren te kijken.

Hij zei: “Tel de sterren maar eens als je dat kunt.
Zo talrijk zal jouw nageslacht worden”.

Wat bemoedigend was die belofte! Maar toen bleef het weer jarenlang stil. God liet niets meer van zich horen. We begonnen langzamerhand oud te worden. Wat een verdriet toen Sara ophield met menstrueren. Sara zag het niet meer zitten en gaf de hoop op. Ze was veel te oud geworden om nog kinderen te krijgen.

Op een dag kwam ze bij me met een alternatief plan. Haar slavin – Hagar – moest maar draagmoeder worden. Dan zou ik op die manier toch nog nageslacht krijgen. Ik was niet zo enthousiast, maar verwekte toch een kind bij Hagar. Het kind van mij en Hagar noemde ik Ismaël (God verhoort). We dachten dat God achter het plan van Sara stond.

Toen Ismaël dertien jaar was, bleek het tegendeel pas. Toen kwamen er drie reizigers langs onze tent. Ik nodigde hen gastvrij uit om bij ons te komen eten. Ze schoven aan en verrasten ons met goed nieuws. Eén van hen zei:

”Over een jaar komen we weer als Sara een zoon heeft”.

Sara en ik moesten er een beetje om lachen. We waren allebei oud en grijs en we hadden toch al een zoon? Maar de man verzekerde: “Over een jaar kom ik terug. Dan heeft Sara een zoon. Jullie moeten hem Isaak (gelachen) noemen”.

De mannen vertrokken en wij bleven opnieuw verbaasd achter. Toch werd mijn Sara inderdaad zwanger. Wat waren we blij toen Isaak geboren werd! Hier hadden we ons hele leven naar verlangd en zo op gehoopt. Sara zei nog: “God heeft ervoor gezorgd dat ik weer lachen kan. Wie had durven voorspellen dat ik ooit een kind de borst zou geven”?

Sara heeft Isaak heel gelukkig zien opgroeien. Inmiddels is ze al wat jaren overleden. Ik heb het nog meegemaakt dat Isaak een vrouw gevonden heeft. Nu heb ik er het volste vertrouwen in dat God doet wat hij belooft. Dat vertrouwen is vaak op de proef gesteld, maar is daardoor nu rotsvast. Uit Isaak zal ongetwijfeld een groot volk voortkomen.

Ik heb geleerd dat je God kunt vertrouwen.
Zijn wegen leken vaak dood te lopen.
Hij vroeg geloof in het onmogelijke.
Maar hij doet wat hij belooft.

Dit verhaal staat wat uitgebreider in de Bijbel[1]. Zal ik je nu de bril van Mozes geven? Dan leg ik de bril van Abraham even terug.

[1] Zie Genesis 11:26 -25:10.