De bril van een ongelovige broer

Jezus uit Nazareth was mijn oudste broer. Ik – Jakobus – ben na hem geboren. Toen ik opgroeide, vertelden mijn ouders bijzondere verhalen over Jezus. Zijn geboorte zou zelfs aangekondigd zijn door een engel.

Jezus was niet door mijn vader verwekt, maar door God zelf. Volgens de engel zou Jezus alle mensen van hun zonden bevrijden. Na zijn geboorte kregen mijn ouders zelfs bezoek van wijzen uit het Oosten. Zij vereerden Jezus als een koningskind en gaven prachtige geschenken.

Mijn ouders vertelden bijzondere verhalen over Jezus.

Later begon ik steeds meer aan die verhalen te twijfelen. Bij iemand die door God verwekt is, verwacht je een knappe verschijning. Maar mijn broer zag er helemaal niet zo knap uit. Hij leerde ook gewoon het timmerambacht van mijn vader. Als je aangekondigd wordt door een engel, word je toch geen timmerman? Steeds meer merkte ik dat Jezus wel een beetje vreemd was. Hij keek nooit om naar vrouwen en zat altijd met zijn neus in de Bijbel.

Rond zijn dertigste verhuisde hij van Nazareth naar Kafarnaüm. Vanaf toen verloren we hem als gezin een beetje uit het oog. Hij gooide zijn hamer aan de kant en ging rondtrekken als rabbijn. Dat vonden we maar vreemd, want Jezus had zelf nooit een opleiding gehad. Jezus was echt niet dom, maar hoe kun je anderen onderwijzen zonder opleiding?

De twaalf leerlingen die hij om zich heen verzamelde waren dan ook simpele zielen. Veel van hen waren visser en er zat zelfs een tollenaar bij. We hoorden ook dat Jezus gevolgd werd door allerlei foute figuren.

Je wilt toch geen hoeren en tollenaars als volgers?

De verhalen die de ronde deden over Jezus werden steeds gekker. Ik hoorde zelfs vertellen dat hij wonderen kon doen en zieken kon genezen[1]. Toch moesten de Joodse religieuze leiders niets van Jezus hebben. Jezus dacht dat hij God beter kende dan de hooggeschoolde wetgeleerden[2]. Zij hielden Jezus nauwlettend in de gaten, omdat hij veel volgelingen verzamelde.

Regelmatig lag Jezus met de wetgeleerden in de clinch over zijn daden en uitspraken. De Joodse wetgeleerden zagen in Jezus geen echte rabbijn of boodschapper van God:

  • Een echte rabbijn zou nooit in het huis van een tollenaar of hoer gaan eten. Maar Jezus schoof gerust bij hen aan tafel en vierde feest met hen[3].
  • Een echte rabbijn zou zijn leerlingen leren om regelmatig te vasten. Maar de leerlingen van Jezus aten en dronken maar zonder ooit te vasten[4].
  • Een echte rabbijn zou op de wekelijkse rustdag absolute rust houden en zo weinig mogelijk doen. Maar de leerlingen van Jezus plukten dan gerust aren om ervan te eten[5]. Op de rustdag ging Jezus gewoon door met het genezen van zieken[6].

De wetgeleerden stoorden zich het meest aan de uitspraken van Jezus. Hij noemde zich de zoon van God en noemde God zijn vader[7]. Hij zei: “Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien”. Alsof niemand wist dat Jozef en Maria zijn vader en moeder waren.

Jezus deed alsof hij zelf God was.
Hij vergaf mensen zelfs hun zonden[8].

Toen hij een keer in Nazareth preekte, deed hij ook van die aanmatigende uitspraken. De mensen kenden zijn ouders en probeerden hem toen zelfs te doden[9]. Op een dag hoorde ik dat zelfs de wetgeleerden in Jeruzalem Jezus wilden doden[10]. Ze zagen hem als een valse profeet die heel veel mensen verleidde met zijn wonderen.

De wetgeleerden hadden wel een verklaring waarom Jezus wonderen kon verrichten. Ze zeiden dat Jezus zich inliet met verkeerde, demonische machten. Jezus zou bezeten zijn door die demonische machten. Zij zouden hem in staat stellen om wonderen te doen en zieken te genezen[11].

Mijn drie andere broers geloofden Jezus ook niet[12].
Volgens ons was hij de weg behoorlijk kwijt[13].
Mijn moeder Maria dacht dat ook.

We besloten hem op te sluiten, omdat hij zijn eigen leven in gevaar bracht. Mijn broers, mijn moeder en ik zochten hem op om hem mee te nemen[14]. Maar we konden hem niet meenemen, omdat zijn twaalf leerlingen en een grote mensenmassa zaten te luisteren naar zijn onderwijs[15].

We lieten hem maar begaan. Maar uiteindelijk liep dat verkeerd af. Eén van zijn leerlingen – Judas – heeft hem verraden voor dertig zilverstukken. Hij bracht de soldaten van de Joodse leiders naar Jezus. Toen zij hem gevangengenomen hadden, hebben ze de Romeinse overheid onder druk gezet om hem te kruisigen.

Mijn moeder heeft zelf gezien hoe hij aan het kruis gestorven is. Boven zijn hoofd hing een bordje “Jezus, de koning van de Joden”.

Jezus stierf aan het kruis.
Met Jezus werden alle dromen van mijn moeder begraven.
Van al die verhalen over engelen en zo kwam niets terecht.

Tenminste, dat dachten we. Na een paar dagen begon ik namelijk nattigheid te voelen. Mijn moeder kwam me heel enthousiast vertellen dat ze Jezus gezien had. Ze had hem met een vriendin bij het open graf ontmoet en vastgehouden[16].

Ook zijn leerlingen kwamen met zulke verhalen aanzetten. Jezus zou aan hen verschenen zijn terwijl ze ramen en deuren op slot hadden. Een van de leerlingen – Tomas – geloofde ze niet, want hij was er niet bij geweest. Maar een week later kwam ook Tomas vertellen dat Jezus weer leefde. Jezus had hem de gaten in zijn handen en in zijn zij laten zien [17]. Opnieuw werd ik aan het twijfelen gebracht.

Ik herinnerde de geruchten dat Jezus zelf ook doden levend gemaakt had. Aan al mijn getwijfel kwam abrupt een eind toen Jezus ook aan mij verscheen[18].

Ineens was het klip en klaar.
Jezus was geen gek.
Hij was echt Gods zoon.

Hij legde uit dat hij naar deze aarde gekomen was om de straf op zich te nemen die wij verdienen door onze fouten. Wat een blij nieuws: God straft ons niet voor onze zonden, maar draagt die straf zelf om ons te kunnen vergeven[19].

Na die tijd begonnen alle stukjes langzaam op zijn plaats te vallen. Daarom had hij gezegd: “Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft, zal leven; ook wanneer hij sterft”. Jezus had bewezen dat de dood niet het laatste woord heeft.

God is machtiger dan de dood.
Hij kan weer levend maken wie gestorven is[20].

Die verhalen van mijn moeder over die engel bleken toch uit te komen. Jezus was inderdaad gekomen om ons van onze zonden te bevrijden. Nu begreep ik Jezus pas: “God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven zodat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft”[21]. Het offer van Jezus aan het kruis was een bewijs van Gods liefde voor ons mensen.

Na ruim een maand is Jezus teruggegaan naar zijn vader in de hemel. Zijn leerlingen hebben het gezien; ik was daar niet bij. Maar Jezus beloofde dat hij ooit weer terugkomt naar de aarde, onverwacht[22].

God maakt een nieuwe aarde.
Daar woont God onder ons in zijn rijk van liefde.
Daar is er geen dood meer, geen pijn en verdriet.
Daar heerst liefde, vrede en eeuwige vreugde[23].

Ik heb me direct bij de leerlingen van Jezus aangesloten met mijn broers[24]. Ik kon niet anders dan overal getuigen wat ik had meegemaakt. Zo ben ik voorganger geworden van de christelijke gemeente in Jeruzalem[25].

Mijn broer Judas en ik hebben allebei een Bijbelboek geschreven[26]. Eerst noemden we Jezus onze broer; nu dienen we hem als onze Heer[27]. We stonden als broers te dichtbij om te kunnen zien wie Hij werkelijk was.

Mijn broer leek gek, maar bleek Gods zoon.
Voor God heeft de dood niet het laatste woord.
Ik zie uit naar het eeuwige leven met Jezus, mijn Heer.

Mag ik die bril van Jakobus weer terug? Dan krijg je de laatste bril van iemand die iets van God gezien heeft. Deze getuige heet Paulus.

[1] Mattheüs 4:23-24.

[2] Johannes 7:12-18.

[3] Lukas 5:30.

[4] Lukas 5:33.

[5] Lukas 6:1-2, Mattheüs 12:2.

[6] Mattheüs 12:9-14.

[7] Johannes 5:16-18.

[8] Mattheüs 9:2-8, Markus 2:5-12, Lucas 7:47-49.

[9] Lucas 4:16-30.

[10] Johannes 7:1-10.

[11] Mattheüs 9:34, 12:24, Markus 3:22, Lukas 11:15.

[12] Joses, Judas en Simon: Markus 6:3, Johannes 7:5.

[13] Johannes 10:20.

[14] Markus 3:21-22.

[15] Markus 3:31-35, Mattheüs 12:46-50, Lukas 8:19-21.

[16] Mattheüs 28:1-10.

[17] Johannes 20:18-29.

[18] 1 Corinthiërs 15:7.

[19] Romeinen 5:8-10.

[20] Johannes 11:1-48.

[21] Johannes 3:16-17.

[22] Mattheüs 25.

[23] Openbaring 21:1-5.

[24] Handelingen 1:14.

[25] Handelingen 12:17, 15:13, Galaten 1:19.

[26] De brief van Jakobus en van Judas.

[27] Jakobus 1:1 en Judas 1:1.